Ontdek elke dag een artikel over een inspirerende bestemming: duurzaam, ecologisch en respectvol
De Roero – een van de belangrijkste wijngebieden van Piemonte – ligt ten noorden van Alba, op de linkeroever van de Tanaro-rivier. De streek heeft lage heuvels en brede dalen en combineert de zuiderse zwier van de Italianen met de noordelijke ernst van de Zwitsers.
Het is amper elf uur in de ochtend en we staan al met een glas wijn in de hand in een ‘ciabot’, een schuilhut op het hoogste punt van een heuvelrug vol wijn. Arneis, om exact te zijn, een witte druivensoort die veel in deze buurt wordt aangeplant. Dat wil zeggen: de druif werd nog niet eens zo lang geleden gered door een groep lokale wijnproducenten, anders was ze uitgestorven. De arneisdruif wordt veelal gebruikt voor de Roero arneis DOCG (spreek uit als ro-ëro are-nais), dé fles van de regio.
Zoals dat gaat in Italië – alleen zijn is niet hun beste gave – is de hele familie Negro afgezakt. We krijgen een stevige handdruk van vader Giovanni, een zoen van dochter Emanuela en een schouderklopje van zonen Angelo en Gabriele. Het wijnhuis Negro bestaat sinds 1670, en is met zijn 300.000 flessen per jaar en 65 hectare land een van de top 3-producenten van de buurt, zowel in grootte als in kwaliteit. “En we zijn ook een van de oudste wijnhuizen”, merkt pater familias Giovanni luid op. Zoals het een kwaliteitswijnhuis betaamt, maakt men er een erezaak van ons verschillende flessen te laten proeven. Perfect bewaard in grote ijskisten laten we eerst de Metodo Classico ons gehemelte strelen – honderd procent arneis brut. Daarna proeven we de legendarische Perdaudin, de signature arneis genoemd naar de heuvel waar hij vandaan komt. En daar staan we dan, met de zon op de borsalino en een schitterende witte wijn in de Riedelglazen. La vita e bella!
Het vervolg van onze tocht is wonderbaarlijk mooi. De Roero is dan ook een van de fijnste streken in Piemonte, een kraal van 23 dorpen met eindeloze wijngaarden als rode draad. De wijncultuur is hier goed voor tachtig procent van de landbouw, een pak meer dan in andere bekende gebieden in Italië. En de gronden die niet geschikt zijn voor ranken, worden geactiveerd voor het kweken van hazelnoten. Zoals in Alba, een steenworp verder. Dat is trouwens de ongekroonde hoofdstad van Roero, want ook de zuidelijker gelegen regio Langhe eert Alba als capitool. We genieten van de groene heuvels met hier en daar een dorp uitgestrooid – en vervolgens schijnbaar met secondelijm aan elkaar gekleefd – op de flank.
Lunchen doen we bij de familie Negro thuis, een uitzonderlijke eer. Zoals dat gaat in Italië: aan een grote tafel met grote gastvrijheid en zonder enige pretentie. En vooral ook niet heiliger dan ze in Italië bij momenten plachten te zijn: er mag – of liever: er moét – hier gedronken worden. Met een bijna ontroerende empathie gidst Giovanni ons door het imposante gamma en de uitgestalde spijzen, een festijn, naadloos gevolgd door een bezoek aan de kelders. Casting is een kunst, charisma is dat ook. Giovanni is dan ook een van de godfathers van de arneis, tenminste wat de wedergeboorte betreft. Tot de jaren 1960 werd arneis namelijk geplant om die andere, veel bekendere druiven zoals barbera en nebbioli te beschermen. De vogels aten immers liever zoete druiven. “En dat leidde finaal tot een absoluut dieptepunt. Ineens werd hier geen fatsoenlijke witte wijn meer gemaakt”, legt Giovanni uit. “Tot onze familie het roer omgooide en de druif in ere herstelde. Ik had goud in mijn handen…” Hij knipoogt.
Vervolgens belanden we in bar Rocca Rostia, waar waard Sergio ons vergast op een ‘marocchino’. Wie de Italiaanse do’s-and-don’ts een beetje onder de knie heeft, weet dat de Italianen slechts cappuccino drinken tot het middaguur. Daarna is het not done, o zo fout. Maar net als de Belgen zijn ook de Italianen sterk in achterpoortjes. Dus werd de marocchino in het leven geroepen: een cappuccino waarin een extraatje chocolade verwerkt wordt. Vrijwel hetzelfde dus… maar politiek correct om na het middaguur te genieten.
Als een waakhond boven het dorp Monteu Roero staat een kasteel uit 1041. Eind 2012 werd het gekocht door de familie Berta, grappastokers met naam sinds 1947. Gastheer Enrico Berta – een moderne renaissancefiguur, every inch an Italian gentleman – ontvangt ons met open armen, een stevige handdruk en piepkleine glaasjes, netjes uitgestald voor de haard. Als derde generatie van de Distillerie Berta uit Mombaruzzo heeft hij het initiatief genomen om dit privékasteel niet alleen te redden van het verval, maar om het vooral ook als uitvalsbasis te gebruiken om hun producten te incorporeren in de eten-en-drinken-hemel die Roero is.
Roero is niet voor niets de geboorteplaats van de internationale Slow Food-beweging, een organisatie die wereldwijd de verantwoorde voedselproductie en culinaire cultuur promoot én verdedigt. “We gooien de deuren van dit kasteel open, iedereen heeft het recht om te genieten”, lacht Enrico terwijl hij ons zijn Mito Delle Ore – in een houten kist verpakt – laat proeven. En dan volgt een rondleiding. We slenteren door een levend museum met een bibliotheek uit de jaren 1500 en een heuse uitkijkpost. Hoe de familie dit allemaal financiert? “Zeker niet met toegangsgeld”, zegt Enrico. “Want de bezoeken zijn gratis. En we gaan er ook geen restaurant van maken, laat staan een hotel. Nee, we maken een unieke grappa die naar dit kasteel genoemd werd en de opbrengst wordt integraal in dit pand gestoken.”
We rijden hoog de heuvels in. Bestemming: Ristorante Garibaldi in Cisterna d’Asti, een huis van vertrouwen waar vader en zoon de sterren van het plafond koken. Maar ook het kader, een eetzaal van ruim honderd jaar oud, is adembenemend. Opgericht in 1875 en sinds 1939 door de Vaudano-familie geëxploiteerd, is het al vier generaties lang een populair adres voor foodies. We ervaren dat vader Lino en zoon Francesco inderdaad kunnen koken, de Piemontese keuken eerlijk en heerlijk is en de wijnkaart – honderden referenties – onverbiddelijke verwennerij creëert, vooral ook omdat de finale rekening een lachertje is. Hier staat de tijd echt stil.
De volgende dag staan we in de late voormiddag bij Giacomo Vico, wijnhuis sinds 1800 en vandaag een middelgrote producent. We proeven zijn Nebbiolo d’Alba DOCG 2009 en bewonderen naast het glas een oude Alfa Romeo 127. “Mijn grootvader was in de jaren vijftig concessiehouder van Alfa, Lancia en Fiat”, vertelt Giacomo. “Door toeval zijn er drie unieke modellen blijven staan die ik sindsdien koester.” Dat ze ondertussen een beetje staan te verkommeren, geeft Giacomo zonder verweer toe. Maar de wijnbusiness eist momenteel al zijn tijd op. Dus houdt hij het voorlopig nog even zo. Una scusa valida? Gelukkig is de wijn lekker!
Vandaag trekken we richting Alba, niet alleen de chocometropool van Italië, maar vooral ook de hoofdstad van de truffel. En daarvoor gaan we naar Tartufi Morra op de Piazza Pertinace. Binnengaan doe je op eigen risico en dat heeft niet zozeer met de prijs van deze delicatesse te maken, maar met de geur: dit is een loeiharde aanval op je reukorgaan. Love it or hate it. De shop herbergt alles wat met truffels te maken heeft, en stichter Giacomo had – aan de talrijke oude foto’s te zien – al snel begrepen dat vips en notabelen perfect kunnen bijdragen tot zijn uitgekiende marketing. Ach, zouden we een klein of een groot flesje olie kopen?
Daarna kuieren we door de straten van het gezellige torendorp Alba (ooit waren er honderd torens, zegt de legende, nu staan er nog zeven recht). We lunchen in de Osteria dell’Arco, het officiële tweede slowfoodrestaurant buiten het hoofdhuis Osteria Boccondivino in Bra. De koffie nemen we opnieuw op de piazza van daarstraks, omdat er een huis met Caffe Vergnano 1882-label is. Hier slurpen de locals ristretto’s alsof hun leven ervan afhangt. Maar het moet gezegd: dit Turijnse merk kan met glans naast de promomachine van George Clooney staan. En veel goedkoper.